Het gazon is het meest voorkomende ‘tuinonderdeel’ in Vlaanderen. Bijna de helft van de Vlaamse tuinen bestaat voor meer dan de helft van de oppervlakte uit gazon. We zijn dus erg gehecht aan ons ‘groene lapje’. Vijf tips om je gazon ecologisch in conditie te houden!

1. Een natuurlijk grasland, zelfs als het begraasd wordt, bestaat niet uit gras alleen. Naast diverse grassoorten, komen er ook bloeiende graslandplanten in voor. Dat geldt ook voor het gazon. Hoewel heel intensief begraasd (lees: gemaaid), zien sommige planten toch de kans om zich tussen het gras te mengen. Klaver, madeliefjes, ereprijs en paardenbloem bijvoorbeeld. Voor veel gazonliefhebbers een doorn in het oog, maar deze planten verhogen de biodiversiteit in je tuin, geven kansen aan hommels en bijen en fleuren het gazon op. Omarm ze en maak er iets leuks van.

2. Een ander ‘probleem’ is mos in het gazon. Om maar meteen duidelijk te zijn: op schaduwrijke plekken, op slecht afwaterende bodems en op zandbodems zal er altijd mos groeien tussen het gras. Mos voelt zich op die plaatsen beter thuis dan gras; er is dus geen eerlijke concurrentie. Kalk strooien helpt niet. Integendeel, het zorgt er meestal voor dat het gras nog minder goed groeit en er dus meer mos komt.

Wat dan? Wel, je hoeft niets te doen. Mos is het hele jaar door groen en zacht. Je kunt erop lopen, zitten en spelen. Wil je echt geen mos? Kies dan een zonnige plek voor je gazon en leg in de schaduw een border aan.

3. Lijkt het gazon weleens groener aan de overkant? Gelukkig niet deze zomer, want met de grote hoeveelheden regen groeide het gras geweldig goed. Heb je toch vaak last van een dor gazon in de zomer? Vooral op zandgrond hoort dat er een beetje bij. Gelukkig is gras weerbaar en na een zomerse bui is het zo weer groen. Heb je regenwater verzameld, dan kun je beregenen. Doe dat bij voorkeur ’s avonds en liever één keer per week veel, dan elke dag een beetje.

4. Voor een dichte, dikke grasmat moet je regelmatig maaien. Dan groeit het gras mooi uit in de breedte. Voer je na het maaien het maaisel af (bijvoorbeeld door met een opvangbak te maaien), dan verwijder je organisch materiaal waar de planten energie en voedingsstoffen voor hebben gebruikt. Op lange termijn put je de planten uit.

Om dit te voorkomen kun je beter mulchmaaien. Ofwel met een speciale mulchmaaier, ofwel met ‘mulchkits’ die je op een gewone grasmaaier monteert. Maai je met een duwmaaier en laat je de grassnippers liggen, dan heeft dat hetzelfde effect. Mulchmaaien doe je wat vaker, zodat je kortere stukjes afsnijdt. Die vallen dan tussen het gras en worden in de bodem omgezet tot nieuwe voedingsstoffen. Je hoeft dan geen extra meststoffen te geven.

5. Kale plekken in het gazon? Zo gefikst! Zaai gras in zaaibakjes voor groenten. Laat het gras binnen kiemen en buiten nog even verder groeien. Je hebt nu ‘minigraspollen’ waarmee je de kale plekken kunt beplanten. Het gras heeft zo een flinke voorsprong, het is meteen groen en kan meteen mee gemaaid worden.